Print blogartikel
Blog
Dagboek van een rentenier deel 7
Een nieuwe ronde
31 maart 2025 | 2 minuten lezen
Het is maart 2019 als broer Dick zich samen met Wilma meldt bij het VU in Amsterdam voor een oriënterend gesprek over donorschap. Na overleg sluiten neef Dik, nicht Ineke en neef Jan-Willem en Barbara zich aan. In dit gesprek wordt voorlichting gegeven over mogelijk donorschap.
Het betreft hier allemaal familie. Ik merk dat ik dat stiekem wel fijn vindt. Buiten de vraag of de kans van slagen groter is als er een familieband is, speelt er bij mij ook een andere overweging: het is vertrouwd. De binding is er al en ik voel met ieder van hen een verbondenheid, die niet zo maar verdwijnt.
Als ik neef Dik later aan de telefoon spreek, vind ik dat ik hem moet laten weten dat ik wel heel erg dankbaar ben voor het feit dat hij en zijn zus bereid zijn donor te zijn. Zijn reactie is duidelijk: “Dat mag je één keer zeggen maar dan ook niet meer. Ik vind het logisch dat we dat doen. Als het omgekeerd zou zijn zou je het toch ook doen?” Ik reageer spontaan met “Natuurlijk!”. Maar het zet me wel aan het denken. Is dat zo? Ja, natuurlijk, met de kennis van nu lijkt het me mooi om een nier beschikbaar te stellen. En ik kan makkelijk zeggen dat ik het ook zou doen. Immers, wie wil er nou een nier van mij hebben? Maar had ik in een gezonde situatie een nier willen doneren? Ik weet het werkelijk niet. Het maakt me wel nog bewuster van het feit dat het niet niks is om zo’n aanbod te doen.
Het resultaat van het gesprek is dat men in het VU besluit om broer Dick als eerste te gaan screenen. De familieband met hem is natuurlijk het grootst. Dus kan ik de redenering begrijpen. En het schijnt wel zo te zijn dat in geval van broers en zusters en ouders en kind de kans van slagen van een donorschap groot is.
Als ik een week later op de verjaardag van Dick ben, merk ik dat hij met enthousiasme aan vrienden verteld heeft over een mogelijk donorschap. Dat raakt mij. Hij blijkt een opvallend hoge nierfunctie te hebben. En dat is wel weer bijzonder. Hij is ook de enige van de drie broers die nog geen eiwit in de urine heeft. Ik heb dat al jaren, maar ooit zei een internist dat het niet echt kwaad kon. Of je eiwit in de urine hebt kun je zien als je bij het urineren schuim ziet verschijnen. Alsof je veel bier hebt gedronken. Hoewel, ik weet eigenlijk niet meer of je dan ook schuim plast.
Nog voordat Dick aan de screening kan beginnen blijkt uit een routineonderzoek bij de huisarts dat hij toch ook eiwit in de urine heeft. Dat is een tegenvaller. Hij meldt dit aan het VU en daar is de conclusie snel gemaakt. Dan is hij niet geschikt als donor. Dat is goed balen. Weer gaat het niet door.
Het periodieke bezoek aan de nefroloog is nu een goed moment om de tussenbalans op te maken. De nierfunctie is nog steeds rond de 19 en een snelle daling tot onder de 15 is voorlopig niet te verwachten. Volgens hem moeten we verstandige conclusies trekken: als het zo is dat een transplantatie nog wel een jaar kan duren, dan moeten we even zuinig zijn met het laten screenen van nieuwe mogelijke donoren. Immers zo’n screening is een jaar geldig. Daarna moet het weer opnieuw. Behalve dat het een extra belasting is van donoren is het ook een beetje zonde van alle kosten en energie, zo stelt hij vast. Zijn voorstel is om een pauze in te bouwen. Zodra mijn nierfunctie dreigt te gaan verslechteren kunnen we de draad weer oppakken. Ik snap zijn redenering en conclusies. Aan het eind van het jaar heb ik weer een afspraak met het bijbehorende bloed- en urineonderzoek. Dan kijken we verder.
Ik stel neef en nicht op de hoogte van de pauze. Ze wachten met hun aanmelding bij het VU.
Ook de acupuncturist vindt het een verstandige beslissing. Hij denkt dat het nog best een tijdje op dit niveau kan blijven. En die voorspelling lijkt aardig te kloppen.

