Blog

Eerste onderzoek (bericht van 21 juni 2017)

9 augustus 2018 | 1 minuut lezen

Na het eerste belletje naar de coördinator was het wachten op een oproep voor het eerste onderzoek. Ondertussen praatte ik erover met familie en vrienden. De zusjes wisten ineens een nierpatient die graag mijn nier zou hebben: een bekende uit ons oude dorp. Ze begrepen mijn uitleg waarom ik de voorkeur geef aan een onbekende ontvanger.

De geliefde begon aan het idee te wennen. Hij wist dat ik al lange tijd aan het nadenken was over de nierdonatie en snapte dat ik de stap had gezet. Nu ziet hij het vooral nog als een onnodig risico lopen en mezelf leed toebrengen. Er zijn dan ook geen nierpatienten in onze onmiddellijke nabijheid; ik denk dat dat scheelt voor hem. Als een van zijn zonen of familieleden een nier nodig zou hebben, denk ik dat hij een van de eersten zou zijn die een nier beschikbaar zou stellen.

De vrienden reageren min of meer gelijk: mooi idee. Ze hopen dat het allemaal goed gaat. Een vriend vindt dat ik er erg rationeel over spreek: hij mist het gevoel erbij. Ik probeerde juist de zaken op een rijtje te krijgen, dus dan klinkt het allemaal verstandelijk. Dat snap ik van hem. Toen ik hem uitlegde dat mijn diepste wens te maken heeft met een vorm van voortplanting, begreep hij het wel.

Als DES-dochter ben ik al vanaf mijn 27e in de wetenschap dat voortplanten erg moeilijk zal zijn. In de jaren rond mijn 35e heb ik veel tijd en energie gestoken in het zwanger raken, met als resultaat dat ik zelfs nooit een keer een dag overtijd ben geweest. Op mijn 40e zette ik hier een punt achter. Bij het nadenken over het afstaan van een nier realiseerde ik me dat die wellicht kan bijdragen aan de gezondheid van iemand die daardoor mogelijk vader of moeder gaat worden. Een soort afgeleid ouderschap dus. Het mooie van een onbekende donor zijn is dat ik dit soort ideeën kan hebben. Ben benieuwd of ze in het LUMC dit soort dingen uit mijn hoofd gaan praten.

A.s. vrijdag (23 juni 2017) verwachten ze me voor de eerste onderzoeken.