Blog

Op de spoedeisende hulp

Het vervolg van mijn verhaal dat uiteindelijk naar een nefrectomie leidde. In de vorige blog beschreef ik dat ik midden in de nacht wakker werd met hevige pijn op de rug, waarop ik naar de doktersdienst ben gegaan. Deze verwees mij gelijk door naar de spo
23 mei 2019 | 5 minuten lezen

Laat in de nacht of vroeg in de ochtend op 12 augustus 2017 arriveerde ik op de spoedeisende dienst van het Martini Ziekenhuis. Ik mocht gelijk naar een kamertje lopen waar ik gezien werd door twee artsen. Ik moest beginnen met het benoemen van mijn klachten en hoe die ontstaan waren. Terwijl ik vertelde hoe ik die nacht wakker werd met enorme pijn en alles wat er in mij opkwam wat relevant was om te vertellen, liep ik heen en weer door het kamertje. Ik vond het niet fijn om te zitten of te liggen. Het heen en weer lopen gaf mij enigszins verlichting van de pijn die ik nog steeds voelde.

Nadat ik mijn verhaal had gedaan had, moest ik toch plaatsnemen op de onderzoekstafel. Er werd wat gedrukt op de buik en op mijn verzoek daarna naar mijn rug gekeken. De artsen waren hier ook al zo gefocust op mijn buik, terwijl de pijn toch echt op mijn rug zat. Vervolgens kreeg ik eindelijk een infuus aangelegd waar pijnstilling in werd gespoten. De artsen vertrokken en na een tijdje wachten kwamen ze terug met weer een nieuwe arts, die dezelfde onderzoeken nog een keer deed. Er werd wat heen en weer gepraat in medische termen. Ik keek naar de arts die de leiding leek te hebben. Via zijn gezicht probeerde ik af te lezen wat de ernst van de situatie was. Hij stond met zijn armen over elkaar gekruist, met één hand nadenkend rond zijn kin geplaatst en met een ernstige blik in zijn ogen. Ik had geen idee wat dit te betekenen had. “Ze zullen hier altijd wel ernstig kijken,“ dacht ik.

Uiteindelijk werd mij verteld dat ik opgenomen zou worden en dat ik later in de ochtend een echo van de buik zou krijgen. Ik moest rekening houden met dat ik geopereerd zou moeten worden. Opnieuw werd de mogelijkheid van nierstenen, galstenen of iets met de galblaas als mogelijke kwaal genoemd. In mijn hoofd had ik mij er al van overtuigd dat het vast nierstenen zijn. “Dat is niet zo erg, een vriendin van mij heeft dat onlangs ook gehad. Pijnlijk wel, maar dat is gewoon een kwestie van uitplassen”, dacht ik.

Ik werd naar een zaal gebracht waar ik een bed aangewezen kreeg, waar ook al andere mensen lagen die die nacht waren binnengekomen. Ik probeerde een beetje te slapen, maar dat lukte niet echt goed. Rond 08.00 uur werd iedereen wakker op de zaal en werd het zelfs nog best gezellig. De jongen naast mij had een ontstoken blindendarm. Ik heb erg moeten lachen (binnenpretje) om het gesprek tussen hem en de arts:

Arts: Je hebt een ontstoken blindendarm, we gaan deze eruit halen.

Jongen: Moet dat echt? Kan ik geen medicijnen krijgen ofzo?

Arts: Nee, je moet echt geopereerd worden

Jongen: Maar wie gaat de operatie uitvoeren dan? Gaat u die operatie doen? (lees hierbij een wantrouwende stem)

Arts: Daar kan ik u nu geen antwoord op geven, maar in ieder geval wordt u geopereerd door iemand die dat kan!

Rond 12.00 werd ik naar de radioloog gereden voor een echo van mijn buik. Hiervoor moest ik in mijn bed blijven liggen. Ik voelde echt enorme schaamte, toen ik langs de wachtkamer, langs de receptie, door het hele ziekenhuis langs allemaal mensen werd gereden. Het voelde gelijk ook zo raar, niet echt, alsof ik in een film zat, in een aflevering van mijn favoriete serie ‘Grey’s Anatomy’ inclusief de knappe artsen van de spoedeisende hulp: dr. McDreamy in drievoud.

Bij de radioloog moest ik opnieuw mijn klachten vertellen, er werd weer even op mijn buik gedrukt. Opnieuw vertelde ik dat de pijn toch echt op mijn rug zat. Maar toen ik dat zei bedacht ik dat ik helemaal geen pijn meer voelde. De pijnstilling werkte dus goed. De radioloog haalde de echo apparatuur erbij en bewoog hiermee over mijn buik. Hij was opvallend stil. Aanvankelijk maakte hij nog wat grapjes. Dat was nu voorbij. Ik dacht: ‘oh wat lullig, er is niets te zien natuurlijk, hij kan niets vinden, ik ben hier voor niets gekomen. Al die mensen die met mij bezig zijn voor gewoon een beetje rugpijn. Oh mijn God, wat een schaamte.” Hij bleef minutenlang zwijgzaam van links naar rechts over mijn buik bewegen met het apparaat.

Toen vroeg ik met een beschaamd stemmetje: “is er niets te zien ofzo?” Waarop de radioloog zei: “ik kijk of datgene wat ik zie, echt is wat ik zie. U bent in goed handen hier, het is goed dat u gekomen bent”. Heel even dacht ik: “oh gelukkig, er is iets”. Het idee dat ik mensen voor niets bezig heb gehouden woog even zwaarder dan de nieuwe werkelijkheid dat er toch echt iets aan de hand is. Vervolgens begon ik me dan toch echt zorgen te maken. De radioloog keek toch wel erg ernstig. Ik vroeg hem wat hij dan zag, maar bij elke vraag die ik stelde kreeg ik hetzelfde riedeltje: “mevrouw het is heel goed dat u gekomen bent, u bent hier in goede handen.” Vervolgens ging hij bellen met iemand waarop ik de radioloog hoorde zeggen: “ik sla mijn lunch even over, ik heb hier een mevrouw die direct een CT-scan moet hebben.” Ik vroeg met een kinderlijk stemmetje aan de radioloog: “heb ik dan geen niersteentjes.” Want wat wenste ik op dat moment dat ik nierstenen had i.p.v. dit onbekende.

Het volgende onderzoek was dus de CT-scan. Er had zich nu ook een vrouwelijke radioloog bij het onderzoek gevoegd. Halverwege het onderzoek kwam ze vragen of ik misschien een enorme klap op mijn rug had gehad. Dit ontkende ik, maar toen werd mij wel gelijk duidelijk dat ik een inwendige bloeding had. Al snikkend werd ik heen en weer bewogen door de CT-scan. Inademen, niet meer ademen en weer doorademen werd op dat moment mijn mantra. Na de CT-scan kwam de vrouwelijk radioloog mij troosten en vroeg of ze iemand voor mij kon bellen. Ik zei dat ik dit zelf wel zou doen. Ik had mijn mobiel onder mijn kussen liggen. Ik belde mijn man en vervolgens mijn tante. Mijn ouders waren namelijk net vertrokken op vakantie naar Denemarken. Mijn man en mijn tante zouden onmiddellijk naar het ziekenhuis komen.

Ik werd weer terug naar de zaal van de spoedeisende hulp gereden. Onderweg zag ik een meneer gekleed in een pak richting de radioloog lopen. Terug op de zaal, bleek de jongen met de blindedarmontsteking naast mij er ook nog te zijn. Hij zei: “Zo hee, dat telefoongesprek ging over jou toch? Dat klinkt niet zo best he?” Blijkbaar had de radioloog naar de verpleging gebeld met instructies en had de jongen naast mij dat gesprek opgevangen. Ik knikte bevestigend naar hem en liet verder blijken dat ik geen zin meer had om te praten.

Een kwartier later arriveerden ongeveer tegelijk de man in pak, die de uroloog bleek te zijn, mijn man en mijn tante op de afdeling. De vriendelijke uroloog vertelde dat ik een inwendige bloeding had die ontstaan was in mijn rechternier. De rechternier had een afwijkende vorm. Op dit moment was in eerste instantie belangrijk dat de bloeding gestabiliseerd zou worden. Ik was al behoorlijk wat bloed verloren en daarom was er ook bloed besteld voor mij. Mocht de bloeding niet stoppen dan zou ik alsnog geopereerd worden, maar dat had niet de voorkeur. Ze wilden eerst goed onderzoeken hoe de bloeding in de nier ontstaan is. Er werden verschillende mogelijkheden genoemd, waaronder ook de mogelijkheid van een tumor. Ik had mij inmiddels een beetje afgesloten van alles, het was net alsof dit niet over mij ging meer. Gelukkig was mijn tante er die het woord voor mij deed. Tenslotte zei de uroloog dat hij mij niet naar huis kon laten gaan. Ik zou opgenomen worden in het ziekenhuis. Hoe mij dat vergaan is, vertel ik in een volgende blog.