Blog

Oranje boven

Je moet er wat voor over hebben
16 juli 2018 | 1 minuut lezen

Op de thoraxfoto is het beeld van mijn long schoon, maar de CT-scan toont onmiskenbaar een plekje dat er niet hoort.

‘U hoeft zich geen zorgen te maken,’ zegt de infectioloog. Met groot enthousiasme vertelt ze wat ik zie; op mijn longvlies een ingekapselde tbc bacterie.

'Die leeft nog en moeten we even het strotje omdraaien als u donor wilt worden.'
Met een opsomming van tropen, immigranten, gevangenis en Zeist probeert ze de besmettingshaard in een ver verleden te achterhalen. Het is nee op alles, tot ik mijn militaire dienst aanhaal. Dat zou het kunnen het zijn.

De specialist bevraagt me op mijn donormotivatie, want de slaper in mijn longen behandelen duurt vier maanden en gebeurt met 'serieuze medicijnen'. Ik had me er al op voorbereid, vertel ik haar.

'Drinkt u alcohol?'
Ik knik.

De dokter is duidelijk: 'Maximaal één glaasje. Per week!'

Dat is meer dan waar ik rekening mee had gehouden. 

'Draagt u lenzen?' 
'Ja', reageer ik.

De dokter legt uit dat een van de bijwerkingen verkleuring van lichaamsvloeistof is. Lenzen raken onherroepelijk beschadigd.   

Ik schiet ter plekke in de lach als ik denk aan mijn kortstondige toekomst met deze pillen.

In een tijd dat Nederland niet aan grote eindtoernooien deelneemt of elders sportieve prestaties van betekenis doet, plas, poep, zweet en huil ik oranje.